Voor Kouwenaar

Staand op de zolder van de hoogste kerk in de provincie
staar ik in de vertes

hoe een wolkendek zich losweekt van de hemel
(zo anders dan mist)
maar nog niet gaat liggen

hoe een vogelspotter een figurant wordt
hoe alles zo klein en zo dichtbij lijkt

hoe de stad zich van boven toont als een naakte vrouw
en ze voor me ligt
hoe ze zwijgt, ze zwijgt
hoe de stad volledig zwijgt

EEN ROTKIND OP EEN DAKTERRAS

Een trutje met haar yogamatje
op haar rug gebonden
stapt haar zelfverzekerde passen

terwijl minderjarige schoffies
voor draaideuren
wachten op wie hun biertjes koopt

“het wisselgeld mag u houden”

de duwster van een kinderwagen
blèrt in de telefoon
welke ziektes hij kan krijgen

een baardaap zwaait met zijn krant
en prevelt een onverstaanbaar alfabet

op een dakterras blaast een rotkind
bellen in zijn yoghurtdrank
hij heeft het allemaal best begrepen
de kleinzielige wereld daar beneden

als je goed kijkt
zijn het allemaal bellen
het is wachten
tot er een knapt

ZIELTJES VERKOPEN

woest kijk ik hem aan
de ooievaar

een duivelshoorn in zijn gezicht
half open
gitzwarte ogen
brandvegen erom

rechtstreeks uit de hel

op hoge poten
symbool van de geboorte

mijn poriën huilen
mijn kind giert al lang

al lang niet meer door mijn aderen

hij spreidt zijn vleugels
schaduw

ambtenaar van de duivel

LIEVE MOEDER

Loop mee lieve moeder
en laat varen
je terechte angsten
hoe terecht ook

mam
vertrouw op mijn keuzes
even niet de jouwe
zo’n dag moest er komen

heus moeder
ik weet van je verleden
het velletje
op de warme melk

op koude dagen lopen

ik weet van je dagen zonder
en hoe ik daar niet in leven kon

maar lieve moeder
loop mee in mijn verhaal
en laat de dagen rusten

mam
ik ken het heden
en we spelen, moeder;

ik voel haar feilloos aan

(september 2012)

GEDICHT

Het licht brandt
maar mijn schaduw zalft

de vogels lopen op het dak

en als de brommer van de
bezorger klinkt
en mijn brievenbus kleppert

denk ik aan mijn vader

hoe ik hem veel had willen
kunnen
zeggen
hoe mijn broers
geen broers waren

de worst ligt in dunne
plakjes op het bord

mijn keuzen zijn voor altijd

alles had altijd niets kunnen zijn

ONKUNDE III

Wat wil ik zeggen?
is niet de vraag
wat kan ik zeggen?
vraag ik mijn brein, papier en pen

is het mijn bijna onvermoeibare
alom bekende maar toch unieke
voorstellingsvermogen
dat werelden kan scheppen zoals
niemand ze kende
en zo ja
wie zit daar op te wachten?

is het mijn onkunde in metaforen
zoals een kind in driedelig grijs
een boek in een zwembad
een wetenschapper op het bal
waar niemand veel van begrijpt
of hooguit aan het denken zet?

zijn het mijn problemen in de liefde
of mijn verleden
verhalen daaruit die iets mooier
verpakt en al rijmend tot de
herkenning of verbeelding spreken?

of blijft het bij de woorden
die bij toeval of de illusie van
inspiratie op papier belanden
en de schijn ophouden
iets te willen zeggen

en dat alleen maar kunnen